/images/1836/original/

Over herkenbaarheid van wetenschappelijke vaardigheden buiten academia.

Over het gebrek aan gezamenlijke arbeidsmarktintelligentie.

Wat weten we eigenlijk over de doorstroom van jonge onderzoekers? Die vraag lijkt eenvoudig, maar is in de praktijk lastig te beantwoorden. We weten veel over losse onderdelen van de academische arbeidsmarkt. Instellingen weten hoeveel promovendi zij opleiden. HR-afdelingen weten welke vacatures zij publiceren. Graduate schools zien welke vragen leven bij jonge onderzoekers. Recruiters zien op welke functies veel of weinig reacties komen.

Maar het gezamenlijke beeld ontbreekt vaak. Waar gaan promovendi na hun promotie naartoe? Welke postdocs stromen door binnen academia en welke daarbuiten? Welke disciplines kennen veel tijdelijke beweging, maar weinig vaste perspectieven? Welke vaardigheden blijken buiten de universiteit het meest waardevol? En op welke momenten verliezen we talent uit beeld?

Gezamenlijk beeld doorstroom ontbreekt

Voor veel van die vragen bestaat nog geen gedeelde, actuele en vergelijkbare informatiebasis. Dat is opvallend, omdat doorstroom een van de belangrijkste thema’s is in de academische arbeidsmarkt.

Universiteiten, UMC’s en onderzoeksinstellingen leiden jaarlijks veel onderzoekers op. Slechts een deel van hen blijft uiteindelijk binnen de klassieke academische loopbaan. Dat is niet per se problematisch. De kennissector draagt juist ook bij aan innovatie buiten de universiteit doordat onderzoekers hun expertise meenemen naar overheid, zorg, bedrijfsleven, onderwijs en maatschappelijke organisaties.

Arbeidsmarktinformatie raakt gelijke kansen

Maar als die beweging onvoldoende zichtbaar is, wordt het moeilijk om onderzoekers goed te begeleiden. Dan blijft loopbaanoriëntatie afhankelijk van toevallige voorbeelden, persoonlijke netwerken en lokale kennis. De ene promovendus krijgt vroeg zicht op alternatieven, de andere pas wanneer een contract afloopt. De ene vakgroep bespreekt brede loopbaanpaden openlijk, de andere doet dat nauwelijks.

Daarmee raakt arbeidsmarktinformatie direct aan gelijke kansen. Wie beter zicht heeft op mogelijke routes, kan eerder keuzes maken. Wie weet welke vaardigheden overdraagbaar zijn, kan zich gerichter ontwikkelen. Wie begrijpt hoe anderen zich door de arbeidsmarkt bewegen, voelt minder snel dat een stap buiten academia een persoonlijke mislukking is.

Arbeidsmarktintelligentie

Dat vraagt om meer dan goede intenties. Het vraagt om arbeidsmarktintelligentie: betrouwbare informatie over bewegingen, patronen, kansen en knelpunten in de loopbaan van onderzoekers. Niet om individuen te volgen, maar om op geaggregeerd niveau beter te begrijpen hoe de markt werkt.

Welke onderzoeksvelden kennen structurele krapte? Waar ontstaat juist verdringing? Welke loopbaanpaden zijn realistisch voor promovendi in verschillende disciplines? Welke sectoren nemen veel wetenschappelijk talent op? Welke functies buiten academia sluiten inhoudelijk goed aan op academische ervaring?

Collectieve uitdaging voor de sector

Zulke inzichten zijn waardevol voor jonge onderzoekers, maar ook voor instellingen zelf. Graduate schools kunnen hun begeleiding beter richten. HR-afdelingen kunnen realistischer communiceren over loopbaanperspectief. Bestuurders krijgen beter zicht op de bredere impact van talentontwikkeling. En de sector kan sterker laten zien hoe wetenschappelijke opleiding bijdraagt aan Nederland als kennisland.

Juist daar ligt een collectieve uitdaging. Individuele instellingen zien vooral hun eigen deel van de beweging. Zij weten wie binnenkomt, wie uitstroomt en soms waar iemand terechtkomt. Maar de academische arbeidsmarkt stopt niet bij de grenzen van één instelling. Onderzoekers bewegen tussen universiteiten, UMC’s, instituten, hogescholen, bedrijven, ministeries, startups en internationale organisaties.

Begrip van beweging in de sector

Dat maakt een sectoraal perspectief noodzakelijk. Zonder gedeelde definities en vergelijkbare data blijft het lastig om patronen te herkennen. Wat telt als doorstroom? Wat is een succesvolle overstap? Hoe onderscheiden we tijdelijke uitstroom van duurzame loopbaanontwikkeling? En hoe brengen we verschillende soorten functies en sectoren op een begrijpelijke manier in beeld?

Ook hier geldt dat transparantie niet betekent dat alles openbaar of herleidbaar moet worden. Het gaat juist om zorgvuldig geaggregeerde inzichten die onderzoekers en instellingen helpen betere keuzes te maken. Niet om controle op individuele loopbanen, maar om begrip van beweging op sectorniveau.

Transparante arbeidsmarkt: inzicht in doorstroom

Voor AcademicTransfer en haar leden raakt dit aan een bredere ontwikkeling. Een vacatureplatform laat zien welke posities beschikbaar zijn. Een transparante arbeidsmarkt laat ook zien hoe talent zich beweegt, waar kansen ontstaan en waar informatie ontbreekt.

Die verschuiving is belangrijk. Zolang doorstroom vooral lokaal, incidenteel en anekdotisch wordt bekeken, blijft veel waardevolle kennis onbenut. Dan weten we wel dat jonge onderzoekers behoefte hebben aan perspectief, maar niet precies waar de grootste blinde vlekken zitten.

De vraag “wat weten we eigenlijk over doorstroom?” is daarom geen technische datavraag. Het is een strategische vraag over verantwoordelijkheid. Als we jonge onderzoekers beter willen begeleiden, moeten we niet alleen vacatures tonen. We moeten ook beter begrijpen hoe de arbeidsmarkt waarin zij terechtkomen werkelijk beweegt.

Terug